Klus-info.nl

Home » Klussen » Materialen » Meubel en bekleding stoffen

Meubel en bekleding stoffen

Meubel en bekleding stoffen, de kwaliteit en de eigenschappen van deze stoffen worden bepaald door de garens waaruit ze zijn samengesteld, door de manier waarop deze tot garens worden gesponnen, de manier waarop ze worden geweven, en de behandeling die aan stof wordt gegeven om voor speciale kwaliteiten te zorgen, zoals de kleurechtheid, en bestand zijn tegen vlekken of tegen krimp of rek.

Meubel en bekleding stoffen

Er zijn drie vezelsoorten: dierlijke, natuurlijke en synthetische.
Tot de dierlijke vezels behoren alpaca, kameelhaar, kasjmier, mohair, zijde en wol. Deze worden voornamelijk gebruikt voor kledingsstoffen, wol en zijde ook voor bekledingsmateriaal. Voor bekledingsstoffen komen meest natuurlijke en synthetische vezels in aanmerking. Katoen, linnen, hennep, jute en rameh behoren tot de familie der natuurlijke vezels. Synthetische vezels zijn o.a. viscose, rayon, acetaat, nylon, polyester (Terlenka, Terylene, Tergal, Dacron) en acryl-vezels (Orlon, Dralon, Courtelle).

Kleurechtheid.
Kies een stof uit die kleurecht blijft bij de verschillende behandelingen die hij waarschijnlijk zal ondergaan. Wassen, bleken, strijken, chemisch reinigen, lichtinwerking en transpiratie kunnen allemaal hun invloed hebben op de kleur. Als de stoffen in de vezel worden geverfd, wat vlokverven wordt genoemd, zijn de weefsels gewoonlijk kleurvast voor wassen, lichtinwerking, zuren, alkaliën en bleekmiddelen.

Stoffen die in de garenfase worden geverfd, kan men als zodanig herkennen door het garen uit elkaar te draaien, het midden zal lichter zijn dan de buitenkant. Van een stof die wordt geverfd na het weven, wordt gezegd dat het in het stuk is geverfd.

Finishes:
Nadat ze zijn geweven, wordt aan de meeste stoffen een finishbehandeling gegeven, waardoor ze beter bestand zijn tegen kreuken, vuur, vlekken en water, of er beter uit gaan zien. Katoen en linnen worden wel gebleekt, maar dit maakt het materiaal zwakker. Aan de randen van de stoffen worden zelfkanten geweven om rafelen tegen te gaan. Sommige stoffen worden zwaarder gemaakt met een metaallaagje, om ze meer body te geven; deze finish wordt er op den duur uitgewassen. Door ruwen komen de vezels op een stof omhoog om voor zachtheid te zorgen. Gekalanderde stoffen worden tussen verhitte cilinders doorgevoerd om ze meer glans te geven. Embossing geeft hetzelfde effect als kalanderen, maar de cilinders geven een gevarieerd glanspatroon. Melium is een opgespoten metalen laag; bij dun materiaal houdt het warmte vast, bij dikker materiaal stoot het warmte af.

Meubel en bekleding stoffen

Van vezel tot garen.
Vezels worden tot garen gedraaid of gesponnen nadat ze zijn gekaard of gekamd, om vreemde voorwerpen erin te verwijderen. Een goed gekamd, hard gedraaid garen is dunner, maar duurzamer dan een los gedraaid garen. Enkelvoudig garen wordt gemaakt door drie of meer vezels samen te spinnen tot een doorlopende lengte. Een combinatie van grondstoffen geeft garens verschillende slijteigenschappen. Twee of meer enkelvoudige garens worden in elkaar gedraaid om een getwijnd garen te maken, twee draden is dubbel getwijnd, drie draden drievoudig getwijnd, enz.

Verwar deze meervoudig getwijnde garens niet met multi-filament garens. Dit zijn enkelvoudige garens van rayon of synthetica, samengesteld uit vele eindloze mono filamenten, die bij elkaar worden gehouden met heel weinig draaiing. Kerngaren wordt gevormd door een twijn (verpakking) van losse vezels, gewikkeld om een stevig gedraaide centrale kerndraad. De kern is in het algemeen van katoen en geeft de stof sterkte en meer volume.Bouclé en slubgarens, andere getwijnde garentypen, worden gemaakt door enkelvoudig en meervoudig getwijnde garens onder verschillende spanningen samen te draaien, zodat er lussen of verdikkingen aan de oppervlakte van het weefsel ontstaan.

Het maken van stoffen.
Garens worden tot stoffen gemaakt door vlechten, knopen, doorstikken, breien of weven. Van vezels kunnen rechtstreeks stoffen worden gemaakt door ze onder hoge druk (stoom) met elkaar te verbinden. Via dit proces, dat vervilten wordt genoemd, ontstaat vilt. De meeste stoffen worden geweven. Bij weven worden de draden die in de lengterichting lopen ‘ketting’ genoemd, die in de breedterichting ‘inslag’. Het aantal draadkruisingen wordt aangegeven in ‘picks’. Als b.v. een stuk doek 30 kettingdraden en 20 inslagdraden per cm2 heeft, is het aantal picks 30 x 20, ofwel 600. Hoe groter het aantal picks van een weefsel is, des te sterker en duurzamer is het.

Een goed uitgebalanceerd weefsel is een weefsel waarvan het aantal kettingdraden gelijk is met het aantal inslagdraden. Dit gelijke aantal maakt sommige weefsels sterker, maar andere, b.v. poplins, zijn het sterkst als ze tweemaal zoveel kettinggarens als inslaggarens hebben. De dessinering wordt gevormd door de kleur van het garen of door de versponnen vezels te veranderen.

Soorten weefsels.
Er zijn drie elementaire weefpatronen: plat, keper, en satijn. Hieruit is een groot aantal variaties ontwikkeld, zoals b.v. via jacquard-weefgetouwen, waarmee ingewikkelde patronen in een weefsel kunnen worden gemaakt. Via andere ontwikkelingen in de weeftechniek zijn producten ontstaan met een pooldek en met borduureffecten, dubbelweefsels of cordkwaliteiten (als manchester) of gaas.

  • Het platweefsel (steeds 1 kettingdraad over 1 inslagdraad) is het eenvoudigst en meest duurzaam. Het wordt gebruikt voor stevige stoffen als ging-kam, percal, voile, mousseline en taft.
  • Een keperweefsel laat diagonale lijnen op de oppervlakte van het doek zien. Het gaat lang mee en is goed bestand tegen scheuren, maar het rekt meer dan platweefsel. Denim en serge zijn algemene soorten keperweefsels.
  • Een satijnweefsel is een soepele, glanzende stof, die goed valt. Aangezien het kettinggaren slechts door één op de vijf of acht inslagdraden wordt gekruist, lijkt de ketting aan de oppervlakte van de stof te liggen.

Bij zowel satijnen als satinette weefsels zijn de bovenliggende draden meer aan slijtage onderhevig en kan de oppervlakte gauw worden opengehaald (‘ladderen’). Dicht geweven stoffen behouden hun vorm beter, krimpen minder en trekken minder aan de naden dan los geweven stoffen van dezelfde textuur en hetzelfde gewicht.

Beoordeel de sterkte van een stof door hem tegen het licht te houden. Kijk of ketting en inslag in praktisch dezelfde aantallen aanwezig zijn en op gelijke afstand van elkaar liggen. Probeer de garens uit elkaar te werken door met duim en wijsvinger van beide handen voorzichtig over het doek te wrijven. Doe dit zowel in de lengte als in de breedterichting. Als de garens gemakkelijk uit elkaar gaan, of als de stof hier en daar pluizig wordt, gaat de stof waarschijnlijk trekken langs de stik-naden, als hij wordt gebruikt voor bekleding van meubelen. Kijk of de zijkanten van de stof niet rafelen en controleer de naden van geconfectioneerde producten. Als een stof erg rafelt, duidt dat vaak op zwakte van het weefsel.